Project omschrijving

Exposities Bas Steller

1995 gemeentelijke expositieruimte Kampen.

14 Februari 1995 Kamper Nieuwsblad;

Varfdeuze verrast met professionele kwaliteit.
KAMPEN – Een bezoek aan de jaarlijkse tentoonstelling van De Varfdeuze in de ge­meentelijke expositieruimte wordt gehouden is een abso­lute aanrader. De tijd, dat zo’n tentoonstelling kritiek­loos werd gevuld met de huis­vlijt van vriendelijke men­sen, die het aan techniek maar ook aan visie ontbrak om zich in lijn en kleur boei­end te uiten, is voorbij. Wie nu de expositie van De Varf­deuze bezoekt valt van de ene verbazing in de andere. De tentoonstelling duurt tot en met 4 maart.

Van de ‘toppers van toen’ zijn er maar weinigen overgeble­ven. Alleen de aquarellist H.J. Kok, die in vele jaren lang­zaam maar zeker een niveau bereikte, dat hem bij die top­pers bracht, is ook nu nog aan­wezig. Maar het opvallende doet zich voor, dat zijn werk thans tussen het werk van vol­gende generaties verbleekt, met name omdat het minder visie en minder durf vertoont aan de vele toppers van thans, die in het oog springen. Ik herinner mij, dat de schilder Kees Kieft de band met De Varfdeuze verbrak – en hij was zelfs vele jaren voorzitter ge­weest – omdat de vereniging zich had aangesloten bij de FABK (Federatie van Amateur Beeldende Kunstenaars). Hij­zelf was, niet zonder effect, tot de beroepsgroep van beelden­de kunstenaars gaan behoren, en hij voelde zich niet meer thuis in een vereniging, die zich zó nadrukkelijk tot de amateurverenigingen reken­de.

Hij verkoos voor een Varfdeu­ze naar zijn model de status van vóór de verbintenis met de FABK, toen iedere schilder, te­kenaar of modelleur werd toe­gelaten, die een beetje zijn-/haar best wilde doen, zonder onderscheid tussen amateurs of beroeps-beeldend kunste­naars. (Er werd ter zake in die tijd nogal eens een vergelij­king getrokken met de vereni­ging Het Palet in Zwolle, waar men er ook zo over dacht.) Welnu, die status schijnt te zijn weergekeerd in De Varfdeuze, want op de uitnodigingskaart voor de jaarlijkse expositie komt het woord ‘amateur’ noch de aanduiding ‘lid van de FABK’ nog voor. De Varfdeu­ze, opgericht op 1 oktober 1959, is een vereniging voor beoefe­naars van beeldende kunst in Kampen e.o.’ lees ik. Of er echt nog ‘oprechte ama­teurs’ bij de vereniging aange­sloten zijn, weet ik niet. De ex­positie toont geen werk van mensen, die duidelijk tonen, dat zij noch door opleiding, noch door autodidactiek tot een zeker niveau van kunstvaardigheid zijn geraakt. In hoeverre dat door een strenge selectie bij de toelating tot de tentoonstelling komt, weet ik ook niet. Maar het zegt wel wat, dat er vijftien exposanten werk hebben hangen, die ik zonder ze te kennen nagenoeg allemaal de status van be­roepskunstenaar zou gunnen.

Beoordeling

Over Jan Brokkelkamp en Johann van den Noort hoef ik weinig meer te zeggen; zij waren al talloze malen , onder­werp van bespreking en over H.J. Kok heb ik het al gehad. Marinus Dorgelo exposeerde eerder bij De Varfdeuze. Hij is door een bepaalde manier van stileren heel herkenbaar, maar hij groeit in zijn opzet wel dóór. Verscheidene exposan­ten gebruiken – als hij – een aquareltechniek, ofschoon de één zich meer aan een puur naturalisme houdt (H.J. Kok) dan de ander. Goni v.d. Weerd kiest een zekere vrijheid in de uitbeelding van haar onder­werpen. Diny Schaap is min­der vrij, maar maakt toch ook haar sfeervolle, wat transpa­rante maar toch homogene ‘knotwilgen’. Louis Bramer zoekt een wat gedurfde, vrije eenvoud van uitbeelding. Van gedurfd gesproken: ‘High papaver’ (?) van Thea de Groot: wat een knappe, groot­se opzet en wat een resultaat van gemengde techniek! Bij Wim Visscher is de gemengde techniek niet de hoofdtrek van zijn resultaat, maar de krachti­ge eenvoud van zijn vormen. Bij Henk Werner’s grafische werk is het de wijze waarop hij de techniek van de linosnede beheerst in een eenvoudige naturalisme. S. Steller schil­derde in olieverf drie gelijk­soortige werken, voorstellende een sterk gestileerd vrouwe­lijk naakt in drie verschillende houdingen, kleurig gehuld in een transparante fantasie-om­geving. (Deze drie schilderijen werden door de gemeente aan­gekocht.) Steller modelleerde ook drie beeldjes op ‘beginnerswijze’, maar dat wel in een intrigerende blauwkleurige materie.

G. van Dieren-v.d. Wolde maakte een drietal figuurstu­dies in olieverf. Gepronon­ceerd kleurig en bepaald niet naturalistisch. Vooral de ‘praatgroepjes’ in het schilde­rij ‘Dorpsroddels’ tonen visie. Van vrijheid in opzet getuigen de drie vrouwenstudies van Gerda Koek in verschillende technieken uitgeprobeerd met begrip voor het materiaal van de ondergrond. En tenslotte Ad Kuyper met twee flinke, monumentale collages (?) in acrylverf. Imposante vrouwen als hoofdfiguren, omgeven door een halve rand van ‘som­bere tafereeltjes’. Zeer sfeervol maar in een duistere droomwereld.